Ik moest sterk zijn.
Sterker nog: de sterkste.
En daar verdien ik nu mijn geld mee.
Daarom werk ik met mate.
Anders loop ik de hele tijd de sterkste te wezen.
In mijn vrije tijd ga ik toch weer sterk wezen. Aan de rots bijvoorbeeld. Maar niet alleen maar. Want als de angst me pakt daarboven, barst ik en breek ik. Ik smelt tot ik als een plasje onderaan de rotsen lig. Daar tref ik een klimmaat die mij gemoedelijk op de schouders klopt. Het klopt weer. Ik ben niet alleen maar sterk.
Het heeft voordelen om sterk te zijn. Een ander kan dan zacht worden, tegen mijn kracht aan duwen of leunen.
Zijn eigen kwetsbaarheden onderzoeken.
Ik heb zelf veel aan sterke mensen gehad op momenten dat ik me zwak en kwetsbaar voelde.
Je hebt sterk en je hebt wijs.
Sterk is stevig. Rustig. Iemand die overzicht heeft en zich niet al te gauw druk maakt. Je mag even zijn wie je bent bij een sterk iemand.
Wijs is een ander niveau. Als ik een wijs persoon voor me heb, dan voel ik me opeens niet meer gerustgesteld of geborgen, maar een beetje bang. Want de wijze mens ziet waar ik mezelf voor de gek houd.
Ineens worden mijn manipulaties doorzien. Dat is – zacht gezegd – ongemakkelijk.
Alle alarmbellen gaan aan: Zelfveroordeling. Ik knijp mijn ogen en bal mijn vuisten: “Ik mag niet zo zijn! Sta op, wees zelf sterk! En wijs! Zit niet zo te nuilen! Het valt op, je valt door de mand!”
Door een kiertje gluur ik naar mijn wijze buur:
Veroordeelt ie me nog steeds niet?
Maar de sterke wijze buurmens giechelt: “hihi wat doe jij nou? Dat ken ik! Heb ik ook, als ik weer te lang wijs en sterk heb lopen zijn”.

